Co-evolutie en symbiose

Samenwerking tussen organismen

Organismen/soorten kunnen op verschillende wijzen leven. Dat kan alleen, met een partner of in een groep met andere soortgenoten. Daarnaast zijn er ook samenlevingsvormen die plaatsvinden tussen verschillende soorten. De reden dat deze samenlevingsvormen plaatsvinden is dat één, beide of meerdere organismen/soorten daar een voordeel aan beleeft/beleven.

De begrippen co-evolutie en symbiose worden hierbij vaak naast elkaar maar ook door elkaar heen gebruikt. Dat is niet zo raar omdat ze veel met elkaar te maken hebben. Bij co-evolutie gaat het meer om het evolutionaire proces hoe samenwerkende soorten zich gezamenlijk ontwikkelen en bij symbiose gaat het meer om de samenleving/samenwerking zelf. Hieronder een defintitie van deze twee begrippen.

Wat is co-evolutie?

Co-evolutie is het proces waarbij verschillende (vaak twee) organismen/soorten zich aan elkaar aanpassen en gezamenlijk evolueren. Dit kan (maar hoeft niet persé) uiteindelijk leiden tot een dusdanig sterke en langdurige samenwerking dat de organismen/soorten niet meer zonder elkaar kunnen. Dan is er in feite sprake van symbiose.

Wat is symbiose?

Symbiose gaat dus verder dan co-evolutie. Bij symbiose is per sprake van een langdurige samenleving tussen twee of meerdere organismen/soorten (symbionten). De samenwerking moet voor minimaal een van de organismen/soorten een voordeel opleveren, maar meestal levert het een voordeel voor beide of meerdere deelnemende organismen/soorten op. De samenwerking is bij een symbiose zo sterk geworden dat de deelnemende organismen/soorten niet meer zonder elkaar verder kunnen leven.

Voorbeelden van symbiose

Binnen de vele symbioses die er tussen orgasimen/soorten plaatsvinden kan men onderstaande drie  vormen onderscheiden.

2. Commensalisme

Bij deze vorm behaalt één van de organismen een voordeel uit de samenleving. Het andere organisme houdt er geen nadeel aan over.

Voorbeelden :

  • Korstmossen zijn zelf een symbiotische samenleving die mutualistisch is. Korstmossen zitten vaak op takken en boomstammen. De relatie tussen de korstmos en de boom is echter een commensalistische samenleving. De boom ondervindt er namelijk geen nadeel van dat de korstmos op zijn stam zit.
  • De roodborst die wilde zwijnen volgt en gebruik maakt van de de door de zwijnen omgewoelde aarde. Uit de omgewoelde aarde pikt de roodborst de insecten weg. Voor de roodborst is het een voordeel en voor de wilde zwijnen is het neutraal.
eikenmos-op-stam-van-eikenboom

Eikenmos heeft het voordeel dat het de boom als ondergrond kan gebruiken en de boom heeft daar geen last van. Hier is sprake van commensalisme

2. Mutualisme

Bij mutualisme hebben beide partijen voordeel uit de samenleving/samenwerking die er plaatsvindt.

Voorbeelden:

  • Korstmossen zijn een mooi voorbeeld van een veelvoorkomende mutualistische samenleving. Binnen een korstmos vindt er samenwerking plaats tussen enerzijds een schimmel en anderzijds een alg of een cyanobacterie. Het voordeel voor de schimmel is dat deze voedingsstoffen van de alg of cyanobacterie ontvangt in de vorm van glucose (suikers). De alg en cyanobacterie ontvangen daar mineralen en bescherming tegen uitdroging voor terug. Meer informatie hierover is te vinden binnen het hoofdstuk ‘algemene informatie over korstmossen’.
  • Een andere veelvoorkomende mutualistische samenleving is die tussen bodemschimmels enerzijds en bomen en planten anderzijds. De bodemschimmels leveren mineralen aan de bomen en planten via hun wortelstelsel. De bomen en planten leveren voedingsstoffen in de vorm van glucose (suikers) daarvoor terug. Je hebt zelfs bodemschimmels en hun bijbehorende paddestoelen die voorkeur hebben voor bepaalde bomen. Zo zie je het eekhoorntjesbrood vaak bij beuken staan en de vliegenzwam bij de berk. Een overzicht van deze voorkeuren kan je vinden binnen het hoofdstuk ‘algemene informatie over padenstoelen en schimmels,.
  • Bijen en bloemen hebben ook een mutualistische relatie met elkaar. De bij bezoekt de bloem omdat de bloem nectar heeft die de bij als voeding gebruikt. Tijdens het zoeken naar de nectar blijven er stuifmeelkorrels aan de vacht van de bij kleven. Deze stuifmeelkorrels kunnen bij het bezoek aan een andere bloem terecht komen op de stamper van die bloem en deze bevruchten. Zo helpt de bij de bloemen bij hun voortplanting.
Hommel-in-de-kelk-van-een-bloem

De hommel gebruikt het nectar van de bloem en verspreid het stuifmeel van de bloem. Hier is sprake van mutualisme.

3. Parasitisme

Bij parasitisme verkrijgt de ene partij een voordeel uit de relatie en ondervindt de andere partij een nadeel.

Voorbeelden:

  • Vlooien zuigen bloed op bij bijvoorbeeld honden. De vlo heeft hier profijt van en voor de hond is het alleen maar lasting.
  • Een deel van de schimmels/paddenstoelen leeft in een parasitische relatie met zijn gastheer, vaak een boom. De betreffende schimmel/paddenstoel gebruikt zijn gastheer als voeding en uiteindelijk zal de gastheer daaraan bezwijken. Voorbeelden hiervan zijn de berkenzwam en de echte tonderzwam. Meer informatie hierover is te vinden binnen het hoofdstuk ‘algemene informatie over paddenstoelen en schimmels.
Sombere honingzwam (Armillaria ostoyae)

De sombere honingzwam haalt zijn voedingsstoffen uit o.a. een levende boom. Deze boom zal hierdoor uiteindelijk sterven. Hier is sprake van parasitisme.

 

evolutie