Ontstaan van de Veluwezoom

Het ontstaan van Nederland en de Veluwezoom

De Veluwezoom kent een sterk afwijkend landschapsbeeld t.o.v. het merendeel van de rest van Nederland. Nederland staat bekend om zijn weilanden en vlakheid. Hier vinden we op de Veluwezoom (m.u.v. de uiterwaarden) weinig van terug. Bos, heide en bovenal veel hoogteverschillen met heuvels die op kunnen lopen tot 110 meter vinden we wel op de Veluwezoom. Hoe dit landschap op de Veluwezoom tot stand heeft kunnen komen, wordt uitgelegd in de hoofdstukken hieronder.

1. Het ontstaan van Nederland

2. De ijstijden
2.1. Het Saalien
2.2. Het Weichselien
2.3. De tussenliggende warmere perioden

3. Ontstaan van het huidige landschap op de Veluwezoom
3.1. De stuwwallen
3.2. Smeltwaterdal / droogdal
3.3. Dekzand en stuifduinen
3.4. Podzolbodem
3.5. Lössbodem

 

1. Het ontstaan van Nederland

Ongeveer 2,5 miljoen jaar geleden zag Nederland er geheel anders uit dan nu. Het merendeel van het huidige land was namelijk zee en de kustlijn liep ongeveer zoals nu de Duitse grens is. In het noorden was er een deltagebied aanwezig veroorzaakt door de Eridanos rivier, die vanuit Scandinavië uitmondde in het Noord Nederlandse kustgebied. In het zuiden was er een soortgelijk deltagebied, maar dan veroorzaakt door de Rijn en Maas die toen ook al stroomde. Doordat de Eridanos, Rijn en Maas veel sediment aanvoerde uit de gebergten in hun achterland breidde de deltagebieden zich steeds verder uit naar het westen toe en ontstond geleidelijk aan de ondergrond van het huidige Nederland. Hierbij moet wel gezegd worden dat de huidige vorm/contouren pas definitief zijn geworden na cultivering, in de vorm van dijken en ontwateringsprojecten.

Nederland ongeveer 2,5 miljoen jaar geleden. Het merendeel waar nu Nederland is ligt in zee. Vanuit het Noordoosten mond de Eridanos rivier uit op de kust. Vanuit het Zuidoosten komen de samenkomende Rijn en Maas Nederland binnen.

Nederland ongeveer 2,5 miljoen jaar geleden. Het merendeel waar nu Nederland is, ligt in zee. Vanuit het noordoosten mondt de Eridanos rivier uit op de kust. Vanuit het zuidoosten komen de samenkomende Rijn en Maas Nederland binnen.

 

Nederland ongeveer 7.000 jaar gelden. Grote delen van West Nederland liggen nog in zee.

Nederland ongeveer 7.000 jaar gelden. Grote delen van West Nederland liggen nog in zee.

 

 

2. De ijstijden

Als de ijskappen op de geografische polen en op de hooggebergten zich gaan uitbreiden over grote delen van de continenten kan je spreken van een ijstijd. Dit noemt men dan een glaciaal. IJstijden komen en gaan en warmere periode tussen twee ijstijden in, waarbij de ijsmassa’s voor een deel weer wegsmelten, noemt men een interglaciaal.

Een interessante vraag daarbij is: hoe ontstaan ijstijden nu eigenlijk? Hierover bestaan verschillende theorieën, maar de meerderheid van de wetenschap gaat ervan uit dat de belangrijkste oorzaak van het ontstaan van ijstijden vooral komt door de huidige verdeling van de continenten en oceanen. Dit gecombineerd met baanvariaties van de aarde schijnt verantwoordelijk te zijn dat de aarde op gezette tijden afkoelt. Bepaalde astronomische effecten bepalen hierbij de start van een ijstijd volgens een bepaald ritme. De verwachting is dat wij weer op weg zijn naar een nieuwe ijstijd en ons bevinden in een tussenfase.

Gedurende de geschiedenis van onze aarde hebben zich meerdere ijstijden voorgedaan, maar zijn er ook perioden geweest dat er zelfs helemaal geen ijs op de Noord- en Zuidpool lag. Zo was er 700 miljoen jaar geleden (gedurende het Precambrium) een grote wereldomvattende ijstijd waarbij het merendeel van de aarde met ijs was bedekt, dit met ijsbergen zelfs tot op de evenaar. Daarnaast was de gemiddelde temperatuur gedurende het Krijt (145 tot 66 miljoen jaar geleden) zo hoog dat er geen ijs op de Noord- en Zuidpool lag en er palmbomen op Alaska groeiden en er krokodillen in Siberië leefden.

De periode tussen ongeveer 2,6 miljoen jaar en 12.000 jaar geleden noemt men het Pleistoceen. In Europa kwamen in dit tijd tijdperk diersoorten voor die tegenwoordig zijn uitgestorven. Een deel van deze fauna bestond uit mastodonten zoals de de wolharige mammoet, die ook wel als mega-fauna wordt aangeduid.

Wolharige mammoet en een mammoetkies

Wolharige mammoet

 

Gedurende het Pleistoceen hebben er zich diverse ijstijden voorgedaan, waarvan de laatste drie ijstijden het  Elsterien, het Saalien en het Weichselien worden genoemd. De ijstijden ‘het Saalien en het Weichselien’ worden hieronder verder omschreven omdat deze ijstijden de grootste invloed hebben gehad op de vorming van het landschap van de Veluwe en Veluwezoom.

 

2.1. Het Saalien (238.000 tot 126.000 jaar geleden)

Deze ijstijd heeft een grote invloed gehad op het landschap in Nederland. Uiteindelijk bereikte het landijs dat vanuit Scandinavie naar het zuiden opschoof pas aan het einde van het Saalien Noord-Nederland. Het landijs bereikte een hoogte van ongeveer 280 meter en door de grote druk van het ijs op de ondergrond zijn uiteindelijk de heuvels/stuwwallen van de Veluwe, de Veluwezoom, de Utrechtse Heuvelrug, Montferland en de Salandse Heuvelrug ontstaan. Het landijs kwam tot stilstand in Midden-Nederland ten hoogte van de lijn Haarlem-Utrecht-Kleef-Sonsbeck (zie landkaart hieronder). 

Voorlaatste ijstijd Het Saalien. Het ijs kwam tot aan midden Nederland en de Noordzee was droog komen te liggen omdat de grote ijsmassa het water uit de Noordzee wegtrok.

Voorlaatste ijstijd het Saalien. Het ijs kwam tot aan Midden-Nederland en de Noordzee was droog komen te liggen omdat de grote ijsmassa het water uit de Noordzee wegtrok.

 

2.2. Het Weichselien (116.000 tot 11.700 jaar geleden)

Het Weichselien is de laatste ijstijd, waarbij het landijs uiteindelijk Nederland niet bereikte. De meest zuidelijke grens van het landijs lag ongeveer bij de Elbe bij Hamburg (zie kaart hieronder). In ons land was het gedurende deze periode wel extreem koud en mede kenmerkend voor deze ijstijd was dat de Noordzee droog lag doordat het zeewater was weggetrokken door de ijsvorming op de ijskappen. Er heerste toen een toendraklimaat, met temperaturen die ‘s zomers niet boven de 10 graden kwamen en in de winter kon het vijftig graden vriezen. Naast deze lage temperaturen waren er veel sneeuw- en zandstormen, die vanaf de droge Noordzeebodem de daar aanwezige sedimenten in het noorden en oosten van Nederland afzette als dikke tot minder dikke lagen zand, die men toepasselijk aanduidt als dekzand. Dit dekzand is dan ook ook veel plekken op de Veluwezoom te vinden.

Gedurende het Weichselien bereikte het ijs Nederland niet. Het was hier echter wel bitterkoud. Door de grote ijsmassa's in het Noorden werd het water uit de Noordzee getrokken en deze stond dan ook droog.

Gedurende het Weichselien bereikte het ijs Nederland niet. Het was hier echter wel bitterkoud. Door de grote ijsmassa’s in het noorden werd het water uit de Noordzee getrokken en deze stond dan ook droog.

 

Door de koude en sterke wind- en zandstormen die vanuit het Westen naar het Oosten waaiden, werden stenen vaak gezandstraald en zo ontstonden er stenen met hoekige vormen, ook wel Windkanters genoemd.

Door de koude en sterke wind- en zandstormen die vanuit het westen naar het oosten waaiden, werden stenen vaak gezandstraald en zo ontstonden er stenen met hoekige vormen, ook wel windkanters genoemd.

 

2.3. De tussenliggende warmere perioden (interglacialen)

Tussen de bovengenoemde ijstijden ging de temperatuur weer stijgen en was het klimaat vergelijkbaar met tegenwoordig en soms lagen de temperaturen zelfs hoger. Dit soort warmere perioden noemt men interglacialen. Tijdens deze interglacialen in de periode tussen 100.000 en 800.000 jaar geleden leek de vegetatie vaak op zoals het tegenwoordig is en dan moet je denken aan loof- en naaldbos, waarbij op veel plekken ook hoogveen groeide. Ook toen al leefden er edelherten en damherten maar er kwamen ook minder bekende soorten zoals de bosolifant voor. Gedurende de warmere interglacialen werd de fauna in Nederland zelfs uitgebreid met soorten als nijlpaard en waterbuffel. Het overgangsgebied tussen de IJssel en de stuwwallen heeft altijd een grote aantrekkingskracht gehad op de mens. Al in de periode tussen 300.000 en 30.000 jaar geleden trokken er mensachtigen en mensen rond als jager-verzamelaars. Zeker is dat in Nederland toen al de Heidelbergermens (Homo heidelbergensis) voorkwam, want daar zijn sporen, in de vorm van werktuigen, van gevonden. De Heidelbergermens wordt algemeen beschouwd als de voorloper van de Neanderthaler (Homo neanderthalensis) en de moderne mens (Homo sapiens sapiens).

Werktuigen van Homo erectus, Homo neanderthalis en Homo sapiens sapiens

Aan de linkerkant een vuistbijl van Homo erectus en rechts bovenin een vuistbijl van Homo neanderthalis. Recht onderin drie pijlpunten gemaakt uit vuursteen door Homo sapiens sapiens.

 

3. Het ontstaan van het huidige landschap op de Veluwezoom

Het heuvelachtige landschap van de Veluwe en de Veluwezoom is ontstaan tijdens het Saalien. Het uit Noord-Europa oprukkende landijs, in de vorm van vooruitstekende ijstongen, werd door de zanderige en daardoor stroevere bodem in midden Nederland enigszins afgeremd en boorde zich daardoor de bodem in. De enorme druk van de honderden meters hoge ijsmassa sleep zo honderden meters diepe en kilometers brede geulen op de locaties waar nu de Gelderse- en IJssel vallei liggen. Deze enorme ijsmassa’s drukte de bodem weg en verplaatste deze naar de zijkanten, waardoor de stuwwallen van de Veluwe, de Veluwezoom, de Utrechtse- en Sallandse heuvelrug gevormd zijn. Ook op het waddeneiland Texel heeft een stuwwal die ligt bij Den Burg. Toen het ijs begon te smelten, stroomde het water en bijbehorende puin van de hooggelegen stuwwallen naar de lagergelegen geulen die hierdoor voor het grootste deel weer met zand en puin werden opgevuld. Hierdoor liggen de Gelderse- en IJssel vallei tegenwoordig weer op de hoogte zoals ze zijn. De heuvels op de Veluwezoom waren gedurende het Saalien een stuk hoger dan dat ze nu zijn. Door het wegstromende smeltwater en verdere erosie hebben ze uiteindelijk de huidige hoogte en de kenmerkende dalen gekregen.

 
Kaart met een grafische weergave van de drie ijstongen die het landschap in midden en oost Nederland hebben gevormd.

Kaart met een grafische weergave van de drie ijstongen die het landschap in midden en Oost-Nederland hebben gevormd. De basiskaart met hoogteprofiel komt van www.ahn.nl

 

3.1. De stuwwallen

De heuvels op de Veluwezoom zijn stuwwallen die gevormd zijn door de opstuwende krachten van het landijs uit het Saalien (zie hoofdstuk 2.2.). Het Nationaal park Veluwezoom ligt op de Oost-Veluwse stuwwal en het hoogste punt heeft een hoogte van 109,9 meter en ligt op de Signaal Imbosch in de buurt van de brandtoren. De stuwwallen van de Veluwezoom bestaan uit de grond/sedimenten die door vooral de Rijn en Maas zijn afgezet in de tijd van voor de ijstijden (zie hoofdstuk 1). Bovenop deze grondlaag is vaak nog een laag met dekzand te vinden die tijdens het Weichselien door de zandstormen is afgezet. De Rijn en Maas hebben bij de vorming van Zuid- en Midden-Nederland naast zand ook veel zwerfstenen meegevoerd, die op veel plekken aan het oppervlak te vinden zijn. De tijd dat deze stenen door de Rijn en Maas hier zijn afgezet, ligt in de periode van een paar miljoen jaar geleden en daarna zijn daar weer nieuwe grondlagen overheen gekomen. De oorzaak dat we deze zwerfstenen uit vroegere periode toch aan de oppervlakte kunnen vinden, ligt in de tijd van het Saalien. Toen de landijs tongen zich in de bodem sneden, was deze onderliggende bodem al diep bevroren door het koude klimaat. Doordat de bodem zo hard bevroren was, werd de bodem in de vorm van schotsen/plakken aan de kant geduwd. Deze schotsen/plakken bevroren bodem kwamen daardoor schuin verticaal te liggen, waarbij de bovenkant van deze schotsen/plakken, mede door erosie vanaf de bovenzijde, aan het aardoppervlakte kwamen te te liggen. Daardoor kan je deze in de schotsen/plakken aanwezige zwerfstenen nu tijdens een wandeling vinden. In onderstaande visualisatie kan je het proces van stuwwal vorming en het wegduwen van de bevroren schotsen/plakken bodem bekijken.

IJstong die de aanwezige grond opstuwt en zo de bekende stuwwallen vormt. Daar de ondergrond bevroren was, werd de grond in de vorm van bevroren schotsen schuin omhoog gestuwd, dit inclusief de in de grond aanwezige zwerfstenen, die je nu nog steeds veel kunt vinden.

IJstong die de aanwezige grond opstuwt en zo de bekende stuwwallen vormt. Daar de ondergrond bevroren was, werd de grond in de vorm van bevroren schotsen schuin omhoog gestuwd, dit inclusief de in de grond aanwezige zwerfstenen, die je nu nog steeds veel kunt vinden.

 

3.2. Smeltwaterdal / droogdal

Nadat de bodem van de Veluwezoom door het oprukkende landijs was opgestuwd en de stuwwallen waren gevormd, waren deze nog steeds bedekt met grote lagen ijs en sneeuw, soms tot wel honderden meters hoog. Gedurende het Weichselien was het nog steeds koud, maar konden ‘s zomers de temperaturen tot aan de tien graden komen. Hierdoor kon de bovenste laag van de diep bevroren bodem ontdooien tot een natte massa. Het ontdooide water in de bovenlaag kon echter niet wegzakken door de bodem heen omdat die nog bevroren was. Het water zocht zich daardoor, noodgedwongen, een weg langs de stuwwallen naar laaggelegen gebieden en sleet de bodem uit tot de dalen die we nu op veel plekken in de Veluwezoom kunnen zien. Ook het zand en grind, dat in de bodem zat, werd op deze wijze naar beneden afgevoerd en vormde zogenoemde puinwaaiers. Deze puinwaaiers vormde een stevige ondergrond waarop uiteindelijk de dorpen van de Veluwezoom, zoals Velp, Rheden en Dieren, zijn gebouwd.

De dalen die op deze wijze gevormd werden, noemt men smeltwaterdalen, daarbij wordt ook de naam droogdal gebruikt. Dit omdat hier tegenwoordig geen water meer in staat omdat dit wegzakt in de zanderige bodem van de smeltwaterdalen. Sweltwaterdalen kan men ook nog onderscheiden in ijssmeltwaterdalen en sneeuwsmeltwaterdalen. IJssmeltwaterdalen zijn vooral gevormd door smeltend ijs en zijn langgerekt en breed qua vorm. Sneeuwsmelwaterdalen zijn korter en smaller en zijn voornamelijk door smeltende sneeuw ontstaan. Zo loopt er op de Oost-Veluwezoom een ijssmeltwaterdal van Eerbeek naar de Noordberg bij Renkum. Dit ijssmeltwaterdal heeft een lengte van ongeveer 35 kilometer en is goed te zien als je rijd van Arnhem naar Apeldoorn, net ten zuiden van Terlet.

Soms is door toedoen van dekzand de breedte van het ijssmeltwaterdal heel smal en zo’n smalle plek wordt een ‘pas’ genoemd. Het grote ijssmeltwaterdal heeft diverse zijdalen. Vanaf de Elsberg is zo,n zijdal goed te zien. Een ander zijdal loopt van Dieren via de Carolinahoeve naar ‘t Asselt.

Smeltwaterdal liggend in het Herikhuizerveld

Smeltwaterdal liggend in het Herikhuizerveld

 

3.3. Dekzand en stuifduinen

Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien, heerste er een poolklimaat in Nederland, waarbij de Noordzee was drooggevallen doordat de grote uitbreiding van het ijs op de poolkappen het water uit de Noordzee wegtrok. Duizenden jaren lang waren er harde stormen vanuit het Noordwesten die veel stof en zand afzette op de bodem in Noord- en Oost-Nederland. Deze zandafzettingen kan men vandaag de dag nog op vele plekken aan de oppervlakte tegenkomen en deze kan variëren van enkele decimeters tot een paar meter dikte. Het afgezette zand heeft de toepasselijke naam van dekzand.

Tijdens de zandstormen uit het Weichselien vormde zich uit het dekzand stuifduinen, net zoals tegenwoordig duinen langs onze kust worden gevormd. Daarnaast komen wij in het landschap van de Veluwezoom ook stuifduinen tegen die zich gevormd hebben tijdens de middeleeuwen. Het meeste dekzand dat werd afgezet tijdens het Weichselien raakte uiteindelijk begroeid met bos. Echter gedurende de vroege middeleeuwen (periode tussen ongeveer 700 en 1.000 na Chr.) werd er veel hout weggekapt voor onder andere de ijzerindustrie die op de Veluwe voorkwam en het creëren van akkers voor de boerenbevolking. Door deze grootschalige kap kwam het dekzand weer vrij te liggen en de wind kreeg weer spel op het vrijliggende zand en vormde op een aantal plekken stuifduinen. Gedurende de negentiende en begin twintigste eeuw heeft men veel dekzand gebieden en stuifduinen aangeplant met bos. Stuifduinen zijn over het algemeen hoog en langwerpig. Een plek waar dit soort stuifduinen voorkomen zijn ‘de Zwarte bulten’ in het Rozendaalse bos.

Dekzand bij De Zwarte Bulten in het Rozendaalse Bos

Dekzand bij de Zwarte Bulten in het Rozendaalse Bos

 

3.4. Podzolbodem

Podzolbodems komen vooral voor in zandlandschappen, waarbij het een belangrijk kenmerk is dat de vruchtbaarheid van de bodem laag is. Indien je kijkt naar de samenstelling van een podzolbodem dan ziet deze er, van boven naar onder, als volgt uit.

  1. Een humusrijke, maar vaak dunne voedingsrijke toplaag.
  2. Daaronder een askleurige, grijze laag die is uitgespoeld door het regenwater en daardoor weinig voeding bevat.
  3. Hieronder een donkere inspoellingslaag waar de door de regen meegevoerde mineralen en organische stoffen zijn opgeslagen. De organische stoffen veroorzaken hier de donkere kleur.
    ~ Haarpodzol = hier is sprake van wanneer de inspoellaag slechts licht is ontwikkeld. Dit is te zien door dunne bruine laagjes.
    ~ Veldpodzol = hier is de uitspoeling sterk aanwezig.
  4. In de onderste laag ligt het oorspronkelijke (dek)zand.

Door de opeenhoping van humus, mineralen en ijzer kan de inspoellaag In de loop der jaren steeds dikker worden en uiteindelijk een laag vormen (oerbank) waardoor het water niet meer heen kan komen. Onder de oerbank blijft het oorspronkelijke zand (dekzand) dan onaangetast door verdere bodemprocessen.
Specifieke ijzer oerbanken worden gevormd als het in regenwater opgeloste ijzer niet (alleen) door kan zakken naar de diepere lagen onder de inspoellaag maar ook lateraal in de richting van een beekdal stroomt. Dan kunnen, in combinatie met wisselende grondwaterspiegels, specifieke ijzeroer banken ontstaan.

Het gehele proces van de vorming van podzolbodems kan duizenden jaren in beslag nemen, daarbij zijn de meeste podzol bodems in Nederland gedurende de afgelopen 11.000 jaar gevormd.

Voorbeeld van een Podzolbodem

Voorbeeld van een Podzolbodem

 

3.5. Lössbodem

Net zoals in Zuid-Limburg komen we aan de zuidzijde van de Oost-Veluwezoom löss tegen. Löss is een leemachtige grondsoort met een korrelgrootte die ligt tussen het grovere zand en het fijnere klei. Kenmerkend voor löss is dat het een voeding rijke bodem is. Dat is ook de reden dat er in de gebieden waar löss ligt veel forsere en hoge beuken groeien. Zo worden de beuken op de dekzandgronden van de Imbosch amper 15 meter hoog. In de Middachterbossen en zuidelijke Onzalige bossen (Haverkist) kunnen de beuken wel 35 meter hoog worden.

Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien, was de Noordzee grotendeels drooggevallen omdat het water werd weggetrokken naar de ijskappen in Noord-Europa. Met name vanuit de omgeving van de Doggersbank werd de löss met de overheersende westen- en noordwestenwinden aangevoerd en viel neer op de hellingen van de stuwwallen van de Oost-Veluwezoom. De löss ligt voornamelijk aan de oost- en zuidoostzijde van de heuvels. Dit komt omdat het, ten opzichte van zand, lichtere löss in de luwte (lijzijde) van de heuvels naar beneden dwarrelde. Kenmerkend voor löss is de wat gelige kleur en als je het op je broek smeert, kan je het er zo weer vanaf vegen. Probeer je dat met klei dan kan je broek direct de was in.