Beken en molens

Water en het gebruik daarvan

Waterval bij kasteel Biljoen

Waterval bij kasteel Biljoen

Water

De aanwezigheid van mensen is vaak sterk gebonden aan de aanwezigheid van water. Zo zijn de oudste plaatsen op de Veluwe waar tekenen van bewoning zijn gevonden, locaties waar ook nu nog een bron- of sprengenbeek te vinden is. De namen van de dorpen Eerbeek, Beekbergen en de wijk Klarenbeek duiden op de aanwezigheid van een beek. De oorzaak dat er op de Veluwe relatief veel water aanwezig is, komt voort uit de grote neerslag. De Veluwe is namelijk het gebied waar de meeste neerslag in Nederland valt. Vooral in de winterperiode is er een gemiddeld neerslagoverschot van 300 tot 350 mm. Dit overschot zakt door de snel doorlatende bodemlagen, bestaande uit zand en grind. Op een gegeven moment stuit het water op een  niet-doorlatende keileem laag. Doordat het water niet verder kan zakken, stroomt het langzaam naar de lager gelegen gebieden in de IJsselvallei.

In  het gebied van de Veluwse stuwwallen bevind het grondwater zich meestal 3 tot 4 meter onder het maaiveld. In de laagste gebieden komt dit grondwater als kwelwater omhoog. Daar ontstaat dan heideveen, moerasgebied en broekbos. Broekbossen zijn nog steeds te vinden in de landgoederen: Leusveld, Voorstonden en Den Bosch bij Leuvenheim.

Op sommige plaatsen stroomt het overtollige water via een beek naar de IJssel. De Beekhuizensebeek is hier een voorbeeld van. Vroeger was de Beehuizensebeek een bronbeek die ontstond uit een bron. Later is deze gekoppeld aan een sprengkop en tegenwoordig dus een sprengbeek.

Beekhuizense beek in landgoed Beekhuizen

Beekhuizense beek in landgoed Beekhuizen

De eerste molens

Al in de middeleeuwen werd het water van bronbeken gebruikt voor het laten draaien van een waterrad. Dat waren ‘onderslag’ raderen, waarbij het water vanaf de onderkant langs de raderen stroomde en zo het rad in beweging bracht. De energie die zo ontstond werd gebruikt voor bijvoorbeeld het malen van graan, het ‘vollen’ van wol of het slaan van koper.

onderslagmolen

Bij een onderslagmolen wordt het water vanaf de onderkant aangevoerd.

Zo lag er al in 1025 een molen in Velp. De oudst overgebleven molen in Velp is de Van Lennepsmolen uit 1391. In deze molen werd graan gemalen. De molen was eigendom van de familie Van lennep, destijds de bewoners van kasteel Biljoen. In 1350 waren er al molens bij het in 1802 verdwenen slot ‘Coldenhave’ en het ‘Huis te Eerbeek’. In Beekbergen wordt in 1294 een molen genoemd, gelegen aan de Oude Beek. Hier ging het om een ‘dwangmolen’ van graaf Reinald I.

Nagemaakt waterrad-in-Beekhuizensebeek

Een door bezoekers van landgoed Beekhuizen gemaakt waterrad in de Beekhuizense beek. Dit waterrad is een onderslag waterrad, want het water wordt vanaf de onderkant aangevoerd.

Papiermolens

De eerste papiermolen werd in 1595 door Hans van Aelst bij Arnhem gesticht. Bij papiermolens heb je hamerbakken nodig voor het tot vezels slaan van vodden en lompen, wat de grondstof is voor geschept papier. De oude ‘onderslag’ molens leverden hier echter niet voldoende energie voor. Om meer energie te verkrijgen ging men over op het systeem van bovenslagraderen waarbij het water vanaf de bovenkant op de raderen van het rad valt. Om dit te kunnen bereiken moest men wel een groter verval in de beek hebben. Daarom ging men zelf bronnen graven en de beken verleggen om zo een groter verval te verkrijgen. De door mensen aangelegde bronnen en beken noemt men resp. een spreng(kop) en en een sprengbeek.

bovenslagmolen

Bij een bovenslagmolen wordt het water vanaf de bovenkant aangevoerd. Hierdoor wordt meer energie verkregen.

Langs een beek werden soms wel 5 molens gebouwd en deze waren vaak eigendom van de landheer. De papiermaker moest dan pacht en waterrechten betalen.

Door de uitvinding van de boekdrukkunst in de 15e  eeuw ontstond er een steeds grotere vraag naar papier. Hierdoor nam ook de groei van papiermolens, vooral in de 17e eeuw, sterk toe. Rond 1750 waren er in de dorpen van de Zuid-Oost veluwe de volgende aantallen molens aanwezig.

Plaats Aantal molens
Beekbergen 2 papier – 1 koper – 1 koren
Loenen 11 papier – 1 koren
Eerbeek 8 papier – 1 koren/olie
Laag Soeren 3 papier – 1 koren
Rozendaal 6
Velp 7
Arnhem 7

Wasmolens

Door de industrialisatie in de 19e  eeuw werd de positie van de papiermakers steeds slechter. De meeste zochten hierdoor een ander gebruik van hun molen. Vaak werd er in deze periode overgegaan naar het wassen van kleding. Het aanwezige zachte grondwater was hiervoor ook erg geschikt. Uiteindelijk is de functie van watermolens overgenomen door stoommachines en later de moderne machines.

Het graven van een spreng

Voor het graven van een spreng werd er een plaats gezocht, waar het grondwater op een bereikbare afstand onder het maaiveld zat (ongeveer 1 tot 7 meter diep). Er werd dan een put gegraven totdat het grondwater werd bereikt. Zodra er zuiver (niet ijzerhoudend) water te voorschijn kwam, begon men een sleuf in de richting van het dal te graven. Om zoveel mogelijk water te verzamelen werden er vaak meerdere zijtakken gegraven. Lager in het dal werd de beek vaak op een hoger gelegen wal geleid. Dit deed men om zo een waterval met een verval van 3 tot 5 meter te verkrijgen. Zo kon men het water van bovenaf op een bovenslagrad laten vallen.